Grumiaux als jong solist
©2002 - Jacques Vergala / SOFAM - België

Getuigenissen van Partners : Baron Eugène Traey

Ere-Directeur van het Conservatorium van Antwerpen en Ere-Voorzitter van de Grumiaux Stichting.
Als pianist heeft Arthur Grumiaux tal van concerten gegeven.


De organisatoren van deze gedenkwaardige dag, gewijd aan de officiële inhuldiging van het Arthur Grumiaux Conservatorium, hebben mij gevraagd enkele herinneringen van mijn contacten met de Meester aan te halen.
Na de indrukwekkende uiteenzetting van Dom Adrien Nocent over het leven en de carrière van Arthur Grumiaux, zal ik mij beperken tot de periode gedurende dewelke ik het voorrecht had met hem te kunnen optreden, ttz tussen 1961 – na de dood van Clara Haskil in december 1960 – en 1968, het jaar waarin mijn benoeming tot directeur van het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen een einde maakte aan mijn activiteiten als concertist.

Mijn eerste herinnering gaat terug tot het jaar 1938 waarin ik Arthur Grumiaux aan de piano begeleidde in het Concerto van Beethoven. Dit was ter gelegenheid van de inhuldiging van een private muziekschool waar de echtgenote van de componist Lodewijk Mortelmans, ere-directeur van het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen, aan het hoofd stond. Mevr. Mortelmans, zelf een uitstekend pianiste en talentvol organisator, had Alfred Dubois als professor viool aangenomen en dit verklaart de aanwezigheid van Arthur Grumiaux, de beste leerling van Alfred Dubois, op deze inhuldiging. Men had geen betere keuze kunnen maken om deze nieuwe school te openen ! (De tweede wereldoorlog heeft spijtig genoeg de uitbreiding van deze school verhinderd en deze was dan ook geen lang leven beschoren).

Het was pas in 1961, dus na het overlijden van Clara Haskil dat ik de banden met Arthur Grumiaux terug heb kunnen aanhalen en het was een hartelijk weerzien. Met het oog op eventuele concerten hebben we enkele sonates gespeeld, o.m. de eerste van Brahms; onze eensgezindheid was danig harmonieus en spontaan dat Arthur – die zeer tevreden was – na de repetitie zei : “in feite zouden we vanavond een concert kunnen geven”.
Gedurende ongeveer twee jaar hebben we dan samen verschillende privéconcerten gegeven. Vanaf 1962 kwamen de aanbiedingen voor publieke concerten : Frankrijk, Zwitserland, Duitsland, Italië, Zweden, Nederland en vanzelfsprekend België, meer bepaald Charleroi op 16 december 1963.
Op het programma van onze concerten stonden, hetzij enkel sonaten – 3 à 4 per concert – hetzij gemengde werken, ttz een eerste deel was gewijd aan sonaten en een tweede omvatte werken voor viool met pianobegeleiding – Bloch, de Falla, Prokofiev, Bartok, Ravel, en zeldzamer, bewerkingen voor viool en piano – Mozart/Kreisler of Poulenc/Heyfetz. Onze voorkeur ging echter uit naar de sonatenprogramma’s – Mozart, Beethoven, Brahms, Franck, Lekeu, Debussy, Ravel, Prokofiev.

Ik zal niet herhalen wat hier reeds door Dom Adrien Nocent gezegd werd; ik wens veeleer de indrukken en de gevoelens weer te geven wanneer we onze concerten voorbereidden en tijdens de concerten zelf.
Wat mij steeds diep heeft geraakt in het spel van Grumiaux, was de aanwezigheid van een artistiek scheppingselement dat al zijn vertolkingen kenmerkte : er was vanzelfsprekend zijn hoogstaande techniek die nooit de indruk wekte van enige moeilijkheid; er was ook de charme van zijn unieke sonoriteit die hem onderscheidde van alle grote violisten; en boven alles was er het mysterie van zijn kunst die te vinden is in het feit dat hij de echte spirituele inhoud van de vertolkte werken wist weer te geven… alsof hij ze zelf gecomponeerd had. Hierin ligt de werkelijke rol van de vertolker; zich zodanig met het werk dat hij vertolkt identificeren, dat het lijkt alsof het zijn eigen compositie is.
Dit is het geheim van Grumiaux. Dit is wat zijn publiek fascineerde en dit verklaart zijn grote vermaardheid.
Zo wordt een concert een evenement en al naargelang het evenement plaatsvindt, voelt men het kapitale belang van het meest onontbeerlijke evenement voor de evolutie van de mensheid : de cultuur.
De Amerikaanse filosoof, Emerson, illustreert zeer goed wat ik hier heb gezegd en alvorens te eindigen, wens ik een uitspraak van deze grote humanist te citeren : “De artiesten zijn de weldoeners van de mensheid”.
Tot slot druk ik de hoop uit dat dankzij de vele plaatopnamen die Arthur Grumiaux ons naliet, het mysterie van zijn kunst de luisteraars nog lang gelukkig zullen stemmen en de toekomstige generaties zullen kunnen inspireren.