Arthur Grumiaux bij hem thuis. Foto op vraag van de platenfirma Philips, die deze gebruikte om de hoes van één van Grumiaux’ plaatopnamen te illustreren.
©2002 / SOFAM – België




Zie

Het gedeelte "ontmoetingen" en "concerten" van de fotogalerij.

Het gedeelte "discografie" van deze website.


5. De opnamen


Eerste opname| Men twist erover. | Eerste contractuele opname | De reeks opnamen wordt verder gezet.

Japan heeft een verzameling van 79 CD’s van Grumiaux uitgegeven. Een opmerkelijke verzameling die zou moeten thuis horen in de discotheek van iedere melomaan. Had men ooit kunnen denken dat elke CD een eigen persoonlijke, vrolijke of moeilijke, zelfs dramatische, levensloop zou kennen ? Toch is dit zo. Elk van deze opnamen geeft de respiratie weer van een man, van heel zijn streven dat gericht is naar perfectie die hij bij duizenden personen wil overbrengen. Deze man wil zijn hart uitstorten om zijn boodschap, zo zuiver als maar mogelijk, over te brengen; hij voelt de druk van deze verantwoordelijkheid en het is niet zozeer zijn beroemdheid die op het spel staat, het is de boodschap zelf. Het is ongetwijfeld een plezier voor de artiest – hij weet dat hij verder zal leven na zijn dood – maar welke moeilijkheden qua realisatie soms.
Ik denk dat men Grumiaux niet kent zolang men hem niet aan het werk gezien heeft tijdens zijn opnamen. Wij zullen trachten hieraan te verhelpen. Het is ongetwijfeld onmogelijk hem doorheen zijn 79 opnamen te volgen, wat zou leiden tot de realisatie van een zowat 250 bladzijden tellend boek, enkel en alleen gewijd aan zijn opnamen…



Eerste opname
Op 15 mei 1945 vertrok Grumiaux naar Londen. Hij was de eerste Belgische artiest die sedert het einde van de oorlog uitgenodigd werd op Britse bodem. Hij bleef er drie weken en gaf er talrijke concerten. Hij had een lange brief ontvangen van Walter Legge die aan het hoofd stond van Columbia Records en die hem een reeks engagementen aanbood voor tal van concerten waaronder enkele zeer belangrijke zoals dit bij de BBC, en voor plaatopnamen voor H.M.V. en Columbia. Gedurende zijn drie weken Engeland hield Walter Legge woord en Grumiaux nam zijn eerste commerciële 78-toerenplaat op met Gerald Moore aan de piano. Het was de Nocturne en Tarantella op 28 nrs 1 en 2 van Szymanowski. Hij was tevreden over zijn plaat en schreef aan Amanda :

« Gisteren heb ik mijn plaat met de Nocturne en Tarantella van Szymanowski gehoord : het klinkt zeer goed. Slechts twee kleine dingen, maar zo klein dat men goed moet luisteren om ze te horen. Je weet dat ik heel moeilijk, heel strict en heel streng ben voor mezelf; deze plaat is bijna perfect. Ik heb ook de Tzigane van Ravel beluisterd, maar deze is nog niet uitgegeven. Het werk ligt goed voor de viool, er zijn enkel maar drie harmonische noten die fluiten. Maar de piano is slecht, ik weet niet wat Gerald Moore gedaan heeft maar het is niet goed. Daarom denkt Legge dat het beter is te herbeginnen. Het is jammer maar ik ben dezelfde mening toegedaan”…

Deze plaat werd nooit uitgegeven, maar de eerste bracht opschudding teweeg.
The Gramophone van augustus 1945 gaf zeer lovende kritiek :
(…) hij heeft iets van een vurig temperament dat we al opgemerkt hadden bij een jong artiest die bij ons op doorreis was, een andere violiste Ginette Neveu. Zoveel artiesten, de dag van vandaag, willen eerst vrouw of man zijn en pas daarna artiest. In elk geval een onmogelijke combinatie. Grumiaux is vooreerst en boven alles artiest en hij gaat precies daar waar de muziek hem brengt… Deze werken waren reeds opgenomen door Menuhin en Milstein maar, indien mijn geheugen mij niet in de steek laat, had noch de ene, noch de andere het hart van de muziek bereikt met zoveel zekerheid als Grumiaux dit hier doet. De andere opnamen in Londen.

In het begin van 1946 vertoonde de faam van Grumiaux, die nog geen 25 was, al de tekenen van een naderende universaliteit. Bij elke nieuwe plaatopname en bij elk van zijn optredens in een andere stad, juichte de critici hem met een ongewone unanimiteit toe en riepen dat hij een openbaring was. Zoals we zullen zien, wedijverden de platenmaatschappijen reeds om hem. In oktober 1946 liet Walter Legge hem het Concerto voor twee violen van J.S. Bach opnemen met Jean Pougnet, Konzertmeister van het Filharmonisch Orkest dat onder leiding stond van Walter Susskind; aan het klavecimbel Boris Ord. De opname bij Columbia DX 1276-7 ontkroonde de “pre-electric”, maar legendarische opname van Kreisler en Zimbalist. In november nam hij, op vraag van Legge, het Concerto van Mendelssohn op voor Decca met het Filharmonisch Orkest, geleid door Alceo Galliera. Hier staan we voor een groot “drama”. Grumiaux heeft duidelijk geen goede verstandhouding met deze dirigent en hij zal hierover later nog zijn beklag maken. De repetities en de opname waren zo onaangenaam als maar mogelijk. In die tijd nam men opmiddellijk op vernis op en het werk besloeg acht vlakken van een 78-toeren. Men diende dikwijls te onderbreken, op een ogenblik dat Grumiaux in volle bezieling was. Dit was ondraaglijk voor hem en hij gaf de schuld hiervoor aan Galliera die op zijn beurt de solist van een weinig “professionele” houding beschuldigde. Grumiaux voelde zich ongemakkelijk bij deze dirigent.

Hier is hij in Luxemburg voor een concert en tevens voor een opname. De verwarring is hier echter compleet. Onmogelijk om geen medelijden te hebben met het slachtoffer van een dergelijk schouwspel. Hij schreef aan Amanda over de pech die hij had. Zijn brief is niet echt humeurig en men bewondert de uitvoeringen die hij geeft en zijn fysische en zenuwachtige krachten die deze van hem vergen. Daags na een recital in Parijs komt hij in Luxemburg aan.

Luxemburg, die donderdagavond 8 februari (1951)
“Ik ben in Luxemburg aangekomen, nogal moe, zoals je wel kan vermoeden… Na een lichte maaltijd genuttigd te hebben, ben ik gedurende een half uur op bed gaan liggen alvorens naar de repetitie te gaan. En het is hier dat het avontuur begon. Ik ben naar de Stadsschouwburg gegaan, zoals de routewijze van Valmalète beschreef. Er was een repetitie aan gang van een komedie. Men zei mij dat de concerten over het algemeen in het casino plaatsvonden; het was leeg ! Ten einde raad ben ik naar de radio gegaan omdat het steeds om concerten van de radio zelf ging. Daar wachtten Henri Pensis en het orkest mij reeds op en speelden reeds het concerto zonder mij. Ik haalde mijn viool boven en zonder hem zelfs maar te stemmen, begon ik te spelen. Na een half uur (en dit was het toppunt), zei Pensis mij “Binnen enkele minuten nemen we het concerto op”; het concert van die avond kon niet doorgaan zoals voorzien omdat versterking ontbrak. De zogezegde versterking moest die avond optreden met militaire muziek (hoorns, enz…).
Wat betekent dat ik zonder te kunnen rusten, het Concerto in A van Mozart voor opname heb moeten spelen. Ik verzeker je dat het niet gemakkelijk was. Om 5 uur had ik gedaan (ik had die avond om 9 uur moeten optreden). Het is voorbij en nu ga ik tot 5 uur in de ochtend slapen…”



Men twist erover.
Zoals we weten is Grumiaux zonder overgang, zonder tussensprong, een groot violist geworden. De critici zijn quasi unaniem om zijn uitzonderlijke muzikale talenten te loven. De platenmaatschappijen konden het niet langer negeren.
Van 10 tot 20 juli 1953 was hij in Nassau. Terug in Brussel vond hij een brief van Philips met een project voor een exclusiviteitscontract van twee jaar en met een optie voor een derde jaar, namelijk een garantie van minimum twee LP’s per jaar. De financiële voorwaarden leken aanvaardbaar en Grumiaux stuurde onmiddellijk een princiepsakkoord terug.

Maar bijna terzelfdertijd ontving hij een schitterend schrijven van Seymour Salmon, muziekdirecteur van de Amerikaanse firma Vangward Records. In de omslag bevond zich een degelijk opgemaakt contract dat hij enkel nog hoefde te ondertekenen. Het contract was voor twee jaar met een optie voor een derde jaar en verzekerde drie LP’s per jaar, waarvan minstens één met orkest. Maar Grumiaux had zich geëngageerd en de financiële voordelen leken trouwens beter bij Philips waar hij hoopte enkele opnamen te maken met Clara Haskil.
Op 19 augustus ondertekende de directie van Philips het contract; al de financiële voorwaarden stonden er in detail in vermeld. Grumiaux zou tot aan zijn dood met Philips samenwerken en alhoewel hij in het algemeen tevreden was over de kwaliteit van de opnamen, waren er talrijke wrijvingen. Grumiaux zou dikwijls zijn beklag maken om diverse motieven: men respecteerde de vastgelegde data voor de opnamen niet; hij werd te laat verwittigd; op technisch vlak gebeurde het dat de verantwoordelijke voor de klankopname zelf nuances aanbracht die niet door de solist voorzien waren; vooral de publiciteit was onvoldoende en slecht gevoerd, enz… Deze soms zeer felle woordenwisselingen gingen soms zover tot dreiging met contractbreuk, getuigenis hiervan de talrijke brieven. En nochtans bleef Grumiaux trouw, al weet men niet waarom, aan Philips. Het is even moeilijk te weten te komen waarom hij Seymour Salmon links liet liggen, tot diens grote ontgoocheling die een groot commercieel perspectief in het water zag vallen.



Eerste contractuele opname
Op 19 november 1953 vertrok Grumiaux naar Wenen waar hij zijn eerste opname, voorzien door het contract met Philips, zou realiseren. Het ging om de twee Concerti van Mozart die hij dikwijls vertolkt had : het derde (KV 216) en het vierde (KV 218). De dirigent was Rudolf Moralt, waar Grumiaux goed mee kon opschieten, evenals met diens orkest; in twee maal drie uren en de tijd nemend om de herhalingen te beluisteren, waren de twee concerti opgenomen, alhoewel drie zittingen voorzien waren. Besloten werd om de derde zitting aan te wenden om te pogen het Concerto van Mendelssohn op te nemen. Deze poging was een meesterstuk en Grumiaux werd nadien door Philips gefeliciteerd met dit succes van een volledige opname zonder onderbreking. De opname van Mozart, te koop in de maand juni 1954, ontving de “Grand Prix de l’Académie Charles Cros 1955”. Wat het Concerto van Mendelssohn betreft, dit had hij reeds opgenomen met Decca, hij zou het een derde maal opnemen met Haitink in Amsterdam in 1960 en een vierde maal met Jan Krenz in Londen in 1972.
De volharding van Seymour Salmon, die ondanks alles, in een schrijven aan Grumiaux van 10 februari 1954 belangrijke opnamen voorstelt, is grappig. Volgens één van Grumiaux’s tactieken kreeg hij nooit antwoord…



De reeks opnamen wordt verder gezet.
In juni 1954 ging hij naar Parijs om zijn tweede Philipsopname te maken. Drie grote werken uit het Franse repertoire zullen opgenomen worden : de Symphonie espagnole van Lalo, het Poème van Chausson en de Tzigane van Ravel. Hij speelt met het Orchestre des Concerts Lamoureux onder leiding van Jean Fournet. De plaat verscheen in januari 1955 en ontving datzelfde jaar de “Grand Prix du disque pour la musique française”.
We kunnen de Meester echter moeilijk in al zijn plaatopnamen volgen ! Het zou langdradig worden en niet zeer interessant zijn. Wij zullen enkel blijven stilstaan bij de opnamen die bijzondere moeilijkheden ondervonden bij de voorbereiding en de uitvoering en wij zullen één of andere prijs, die bij deze gelegenheid behaald werd, aanhalen. Wij hernemen niet de volledige teksten van de critici, maar wij denken dat het interessant is de reacties van drie artikels hieromtrent te vermelden.
Een eerste criticus, Clarendon van de Figaro, heeft een giftige pen en is duidelijk geïrriteerd door de enscenering die het concert voorafging. Hij verbergt zijn gevoelens niet en geeft openlijk lucht aan zijn twijfels : “ Een dergelijke opdieping laat in eerste instantie een twijfelachtige indruk na” en herinnert aan een vorig schandaal met de “Mis voor de Kroning van de Koningen van Frankrijk”… De imitators hebben er alle belang bij de grap zo lang mogelijk te laten duren en hun ernst en hun geheim te behouden. Het moet gezegd dat de hypothese van Clarendon op minder bewijzen steunt dan dat het teruggevonden manuscript aan mogelijke authenticiteit levert. Want hij moet toegeven dat de experten” formeel zijn over de authenticiteit van het manuscript