Arthur Grumiaux tijdens een concert met het Nationaal Orkest van België
©2002 – R. Kayaert / SOFAM – België (detail)



Zie

Het gedeelte "Concerten" uit de fotogalerij.

De twee video's uit het gedeelte "Video" uit de fotogalerij."


4. Van de muziek naar de vioolkunst


Een « vloeiende » rechter polsbeweging | De goede vingerzetting | De voorwaarden van een vibrato | Nadenken over een vertolking, niet imiteren. | Een uitzonderlijk en persoonlijk pedagoog | Een crisis in de viool | De internationale wedstrijden | De Koningin Elisabeth-wedstrijd | Een meester, een vader, een vriend.


Men herinnert zich dat na het hernemen van de lessen aan het Conservatorium, in oktober 1941, Alfred Dubois de jonge Grumiaux, toen 20 jaar oud, als assistent aangeworven had. Hij bekleedde deze functie tot in 1949, het jaar van overlijden van Dubois (Hij werd hiervan op de hoogte gesteld tijdens een concerttournee en dit verlies stelde hem zwaar op de proef). Hij volgde hem op als professor in Brussel.

Het is goed hier de eerlijkheid van Grumiaux en de wijsheid waarmee hij op zijn toekomst blikt, aan te halen. Zonder zich ook maar één ogenblik het hoofd op hol te laten brengen door zijn titel van professor, houdt hij eraan te laten opmerken dat hij veel reist en dat zijn carrière als virtuoos pas is gestart. Op 31-jarige leeftijd was Grumiaux opmerkelijk jong voor dergelijke benoeming; dit ging ongetwijfeld gepaard met bijzonder jaloerse buien die aan de basis lagen van de vele verwijten over de afwezigheden van de nieuwe professor.

Men zal dus tal van problemen kennen, het gevolg van intriges, om meer en meer Grumiaux te beletten te reizen. De titel van baron die de violist bij koninklijk besluit mocht in ontvangst nemen, rechtvaardigt ten volle de rol van cultureel ambassadeur die hij waarnam buiten onze grenzen, alhoewel het voor hem niet eenvoudig was en hij de titel zeker niet te danken had aan de welwillendheid van het Conservatorium, noch van het Ministerie van Onderwijs.

Grumiaux was zeer zacht met zijn leerlingen, nooit verhief hij zijn stem, zelfs niet wanneer hij een leerling, die niet het minste rekening had gehouden met wat hij aanbevolen had, een opmerking maakte. Hij zei dan “Er moet gewerkt worden”. De leerling kon niet anders dan berusten, zonder dat Grumiaux er zeker van was dat hij zijn boodschap begrepen had, want zoals voor alles, moet er reeds een zekere graad van vooruitgang zijn om bepaalde zaken te begrijpen. Grumiaux kende het instrument door en door. De viool was voor hem als een levend wezen en hij sprak er op schitterende wijze over.



Een "vloeiende" rechter polsbeweging.
Grumiaux zei dat men, om te spelen, een natuurlijke, fysische ontspanning over zich moest laten komen. Maar er waren ook een aantal gedragingen waarop hij aandrong. Bijvoorbeeld de snaarwijziging, die niet met de arm maar met de pols diende uitgevoerd te worden. Om de leerlingen hierbij te helpen, beveelde hij hen aan dit op een specifieke wijze in te studeren. Indien de leerling naar de volgende les kwam en hij geen rekening had gehouden met zijn raad, zei hij eenvoudigweg maar met autoriteit : “De volgende keer moet het beter zijn”. Om van snaar te wijzigen, er is niet alleen de beweging van de pols die van belang is, maar ook de beweging van de strijkstok die op en af gaat. Wanneer men deze beweging gevonden heeft, moet men zich eraan houden. Alhoewel het op het eerste gezicht eerder eenvoudig lijkt, is dit geenszins het geval. Van snaar wijzigen met de pols is een geheel “vloeiende” beweging van de pols.
Soms gaf Grumiaux een vingerzetting en een streek van de strijkstok, maar dit was zeldzaam. Volgens hem was de goede vingerzetting deze die het mogelijk maakte de combinatie van noten en strijkers op ongedwongen wijze te benaderen. Indien men op ongedwongen wijze zijn hand op de toets plaatst, bevinden de vingers zich vlakbij de te spelen noten en het is deze vingerzetting die men moet kiezen. Op bescheiden wijze deelde hij mee : “Ik tracht natuurlijk over te komen”. De arm moet volgen wat de hand beveelt. Wanneer men een kam neemt om hem naar zijn haar te brengen, denkt men dan aan zijn arm of aan zijn schouder ? Neen, het is de hand die beveelt en de arm volgt de handelingen die met de kam uitgevoerd worden. Zonder enige krampachtige houding !



De goede vingerzetting
Grumiaux hekelde soms sterk verspreide stellingen, zoals bijvoorbeeld deze van de zwakte van de vierde vinger. Deze is zwak wanneer men hem in een zwakke positie brengt. Er is niet meer nodig dan twee gram om een noot te spelen en de vierde vinger heeft meer dan twee gram spieren. “ Juist spelen is een kwestie van luisteren, niet van vingerzetting. De goede vingerzetting is deze die met ongedwongen hand gedaan wordt. De goede vingerzetting hoort men niet”.



De voorwaarden van een vibrato
In een interview van Jean-Marc Veszely, verschenen in Le Soir Illustré van 11 oktober 1984, zal men zijn doordachte bezorgdheid om de techniek van de viool kunnen appreciëren. Het betrof “oude” instrumenten, in een periode (rond maart 1981) toen de muzikanten de barokke speelwijze probeerden terug te vinden en de zogeheten “authentieke” instrumenten, furore maakten. Heden ten dage is men misschien minder bekrompen van geest, maar het probleem blijft aan de dagorde. Grumiaux die hierover ondervraagd werd antwoordde steevast dat zijn Guarnerius hem oud genoeg leek. Wanneer hij toch bereid was meer uitleg te geven, voegde hij eraan toe dat “het te moeilijk was…”
Het is vooral de techniek van de strijkstok die geëvolueerd is. Het moet een waar genot geweest zijn op zulke instrumenten te kunnen spelen ! Alleen al maar het idee dat het mogelijk was op vier snaren een akkoord aan te houden… Vandaag moet men helaas de andere viool op kant laten om op oude instrumenten te kunnen spelen want dit vraagt een lange voorbereiding. Op een klassieke viool bijvoorbeeld moet de hand die de strijkstok vast houdt, een druk uitoefenen die van bijna nul tot de zwaarte van de hand gaat. Met een “oude” strijkstok moet de druk quasi nul zijn, zoniet is het meer geluid dan klank die voortgebracht wordt…”



Nadenken over een vertolking, niet imiteren.
Tijdens de vervolmakingscursus in Namen, liet hij een leerling die nogal gespannen een sonatestreek slecht uitvoerde, stoppen. Grumiaux raadde hem vooreerst aan rustig te worden en zich te ontspannen. Daarna besprak hij met de leerling het te spelen loopje, zijn opbouw, zijn betekenis in gans de frase. Daarna gaf hij hem een reflectie mee die ik hem dikwijls heb horen herhalen : de viool is een substituut van de stem. Diegene die zingt, ademt in, het is niet alleen een noodzakelijkheid maar het geeft bovendien een frase. Men moet eraan denken te ademen wanneer men een loopje speelt. Hij nam dan zijn viool en speelde de door de leerling misvormde passage. Deze, zeer oplettend en zonder dat het hem gevraagd werd, speelde het na, bijna zoals de Meester het zelf gespeeld had. Grumiaux zei hem dan en zonder spot bedoeld : “U heeft goed geluisterd en u bent er bijna in geslaagd mij te imiteren. Maar dit is geen muziek; u moet mij niet imiteren maar nadenken en zelf aanvoelen. Daarvoor is tijd nodig, die u hier niet gehad heeft. Dit is een werk dat men thuis moet doen”.



Een origineel en persoonlijk pedagoog.
Een andere getuigenis over de manier van les geven van Grumiaux kwam van een Amerikaans leerlinge die hij zeer waardeerde omwille van haar energie en de manier waarop zij in praktijk zette wat hij onderwees. Deze violiste, Mejuffrouw Stéphanie Chase, zou steeds één van zijn geliefkoosde leerlingen blijven. Hier volgt het getuigenis uit 1980.
“Dankzij een aanbeveling van de dirigent Léon Barzin, had ik het grote geluk in 1976, op 18-jarige leeftijd, bij Arthur Grumiaux mijn studies te kunnen aanvatten. Hij aanvaardde slechts weinig leerlingen op regelmatige basis (benevens mijzelf kende ik er maar één).
Grumiaux had niets van een traditioneel pedagoog. Hij wendde, bij wijze van spreken, geen enkel onderwijssysteem aan. Hij heeft mij, als les, nooit gamma’s laten spelen, enkel maar enkele capriccio’s van Paganini. Hij verwachtte van mij dat ik hem grote en goed voorbereide werken voorstelde. Sindsdien liet hij mij vooral op de vertolking werken.
Hij stond mij nooit toe mij op te warmen vóór de les. Mevrouw Grumiaux wachtte mij op, liet mij mijn handen onder warm water lenig maken (ik had het nodig, na anderhalve kilometer gestapt te hebben, dikwijls bij koud weer) en hield mij gezelschap tot de Meester klaar was om me te ontvangen. Ik werd dan naar zijn muzieksalon op de eerste verdieping geleid waar ik mijn instrument vlug stemde en hij mij dan vroeg om te beginnen met bijvoorbeeld het vijfde Capriccio van Paganini of de Ciacona van Bach.



Een crisis in de viool.
Het Algemeen Dagblad publiceerde op 7 februari 1962, vóór een concert in Rotterdam, een interessant interview. Het geeft de menig van Grumiaux weer, die zeer spraakzaam was die dag, over het onderricht van de viool en de crisis in de viool. Grumiaux zei gewoonlijk niet veel; men moet dus zeker deze gelegenheid niet laten voorbij gaan hem op een andere manier te horen dan in zijn vioolspel. Wij vangen het onderhoud aan met de vraag : “Is er momenteel een crisis in de viool ?” Grumiaux, die geschokt was door een fenomeen dat zich meer en meer leek te verspreiden, namelijk de imitatie, gaf antwoord :
“Ik ben akkoord met u dat men heden ten dage kan spreken van een echte crisis in de viool. Tijdens mijn studiejaren bij Alfred Dubois aan het Conservatorium van Brussel, zaten de vioolklassen vol. Daar zijn we nu ver af. Wat voor mij centraal staat in deze crisis, is de noodzaak om te imiteren. De meeste jonge artiesten van vandaag die op het podium verschijnen, hebben geen persoonlijke opvattingen en dikwijls ook zeer povere muzikale noties. Wat zij hoofdzakelijk lijken te doen is de platen beluisteren van hun bekende collega’s en nadien zich in allerlei bochten wringen om eindeloos de werken opnieuw te spelen totdat zij tot een resultaat komen. Er zijn jonge violisten die de platen en opnamen van alle grote violisten, die ooit op scene schitterden of nog schitteren, bezitten. Deze vloek van de imitatie, treft niet alleen jonge violisten, maar ook pianisten, cellisten en dirigenten die denken een toekomst in de concertwereld te kunnen opbouwen. Weinigen onder hen nemen hun studies ernstig, luisteren niet naar hun innerlijke stem, of hebben niet de noodzakelijke diepgang. De meesten hebben geen voeling met wat ze spelen, omdat ze enkel maar imiteren…”



De internationale wedstrijden.
Door zijn steeds maar toenemende faam werd hij uitgenodigd als jurylid van verschillende internationale wedstrijden. Na tal van ervaringen heeft hij zich een vaste overtuiging eigen gemaakt over deze wedstrijden en in een interview met Jacques Mairel van de krant Le Soir, in de zomer van 1986, geeft hij een vrij ongedwongen mening : “Zij (de wedstrijden) zijn zeer nuttig geweest zolang er niet teveel en ze van hoog niveau waren. Maar er zijn er zoveel bijgekomen dat het niveau aanzienlijk is gedaald en veel kandidaten hiervan hun beroep hebben gemaakt om van de ene proef naar de andere te lopen, en het praktisch alleen nog om het geld te doen is. Een wedstrijd winnen kan gunstig zijn voor een middelmatig talent en hem ietwat verder brengen dan wanneer hij het op eigen middelen zou gedaan hebben, maar niet voor lang. De echt begaafde laureaten zullen er zowat twee jaar minder over doen om bekend te worden dan dat ze erover zouden gedaan hebben zonder de steun van wedstrijden. Maar zij hebben deze niet echt nodig…”


De Koningin Elisabeth-wedstrijd
In de maand mei 1951 was Brussel het schouwtoneel van een uitzonderlijk muzikaal evenement : de hergeboorte van de Ysaye-wedstrijd, omgedoopt tot « Internationale Muziekwedstrijd Koningin Elisabeth ». Arthur Grumiaux zetelde in de jury. Pierre Delhasse schreef hierover in zijn boek “Musique et Passion” :
Arthur Grumiaux slooft zich uit in de jury. Er is geen moment dat hij niet de inspanningen van de concurrenten ondersteunt, door bijvoorbeeld zelf de partituur, in het geheim, in te spelen… En wanneer het een sonate betrof, zette zijn plichtsgevoel hem ertoe aan de pianopartij, deze keer met de rechterhand, te trommelen. Als zou men geloven dat hij beide instrumenten tegelijk zou kunnen hanteren!”
Nadien nam Grumiaux afstand van de Wedstrijd. Hij vond dat hij niet het recht had deel uit te maken van een jury van een wedstrijd waarvan hij de manier waarop de waarde van een violist beoordeeld werd, niet kon delen. Deze loyale houding kon alleen maar bij wijlen slecht geïnterpreteerd worden evenals deze die hem een moeilijk karakter toeschreef, de zekere hoogmoed van een groot artiest. Hij wist dit maar kon hier niets tegen beginnen. Hij geeft zelf uitleg in dit interview waarvan we hier een deel publiceren :
“Het is daarom dat ik vanaf nu weiger deel uit te maken van de jury. Men kan het feit betwisten om twaalf prijzen met identieke waarde uit te reiken in een jaar waarin het niveau laag ligt en dezelfde identieke prijzen uit te reiken in een jaar waarin het gemiddeld niveau hoog ligt. Wat meestal opvalt bij de deelnemers is dat zij zich met een zeer beperkt repertoire aanbieden. Het lijkt mij hier om een leemte in het onderwijs. Het is steeds gemakkelijk te zeggen “in mijn tijd”, maar ik herinner mij dat voor de wedstrijd van de eerste prijs in Brussel, men twaalf werken diende voor te stellen, waarbij ik voor het overgrote deel grote concerti van Mozart, Beethoven, Brahms, Tsjaikowsky, Bruch enz… uitvoerde.
Nog steeds in hetzelfde interview was Grumiaux de mening toegedaan dat de jongeren veel te snel carrière willen maken.
“Zij krijgen het al vlug benauwd door het ontbreken van een stevig opgebouwd repertorium en door een aanhoudend ter plaatse blijven trappelen bij de paar werken die ze op school ingestudeerd hebben. Maar weinigen hebben de moed van een Pollini, die zich vijf jaar na het behalen van de Chopin Prijs terugtrok, om opnieuw bij zijn meesters in de leer te gaan en zijn repertorium uit te diepen en uit te breiden.



Een meester, een vader, een vriend.
Men moet echter niet denken dat Grumiaux zich niet met zijn leerlingen bezig hield. Het is in tegendeel verbazingwekkend en soms ontroerend zijn vaderlijke aandacht en vooral zijn vriendelijke bejegening tegenover zijn leerlingen, in brieven en reflecties te kunnen bespeuren. Hij ontving ze met grote genegenheid. Wanneer hij alleen was en twee of drie leerlingen, die hij les gegeven had, aan hun middagmaal toe waren, veranderde hij soms in kok en bereidde hen een kleine warme maaltijd. Zijn echtgenote zat hier voor veel tussen. Met de typische vrouwelijke fijngevoeligheid werd zij soms een bondgenoot van de leerling en kwam ertoe hem mee te delen wat Grumiaux van hem verwachtte en moedigde hem dan ook in het geheim aan; soms hielp zij hem ook op technisch gebied, zich haar eigen schitterende carrière als violiste voor ogen houdend die ze echter opgezegd had om zich ten dienste te stellen van deze van haar man.