Arthur Grumiaux als 18-jarige.
©2002 / SOFAM – België (detail)



Zie

Het gedeelte "Concerten" uit de fotogalerij.

De twee video's uit het gedeelte "Video" uit de fotogalerij.


3. De vroegtijdige ontluiking van een muzikaal temperament


De kleine violist uit Fleurus | Conservatorium van Charleroi 1926-1932 | Alfred Dubois | Het Koninklijk Muziekconservatorium van Brussel (1932-1941) | In Parijs, bij Georges Enesco | De eerste echte concerten | Een nieuw elan onderbroken door de oorlog | De Duitse bezetting : eerste avonturen | Het Artis-kwartet | Enkele losse concerten | Een verstandig onderduiken | Van de schoolbanken naar een zeer eigen spel. Geen tussenfase, een sprong.


De kleine violist uit Fleurus.
De grootvader begon zijn kleinzoon les te geven. Na twee jaar was zijn vioolspel zo goed dat men de verleiding niet kon weerstaan hem kleine concerten te laten geven. De violist speelde in een herberg, rechtop staand op een tafel. Grumiaux zelf heeft een zeer precieze herinnering overgehouden aan zijn eerste echte concert dat hij gaf in een bioscoop in Fleurus. Hij vertelde hierover in 1962 in een interview met Guy Mertens, verschenen in de “Pourquoi Pas ?” van 12 oktober 1962 :
- Uw eerste recital ?
- Dat is een groot woord ! Laten we zeggen een vertoning, tussen twee voorstellingen in, op 5-jarige leeftijd, in een bioscoop in Fleurus. Bij het laatste werk, heb ik het publiek gezegd : “Indien jullie niet opstaan, speel ik niet verder !”
- Verduiveld !
- Het was alles behalve pretentie : ik speelde de Brabançonne…



Conservatorium van Charleroi 1926-1932
Gedurende zijn studies aan het Conservatorium van Charleroi, tussen 1926 en 1932, gaf hij, benevens de “grote première” in de Cinema Palace van Fleurus, ongeveer een 20-tal concerten, allen begeleid door zijn meter, Ida Fichefet. Hij trad op in verschillende dorpjes in Wallonië. Kort na zijn 9de verjaardag, in 1930, ging hij ook naar Vlaanderen, meer bepaald Leuven, waar hij zowel viool- als pianowerken bracht. Grumiaux liep les aan het Conservatorium van Charleroi tot op zijn elfde, tot in 1932. Hij verliet het conservatorium met alle mogelijke medailles op zak. Eerste prijs viool met de grootste onderscheiding, eerste prijs piano, enz… Toen hij na de prijsuitreiking in Fleurus aankwam, werd hij door het stadje met groot enthousiasme opgewacht en naar het kerkplein geleid, waar hij met fanfare en toespraken ontvangen werd…
Niemand twijfelde eraan dat hij zijn studies moest verder zetten aan het Conservatorium van Brussel en dhr en mevr. Henry ondernamen alle mogelijke stappen om dit te verwezenlijken.

Men vertelde ons dat dhr Henry voor Grumiaux bij zijn kleermaker een echt chic kostuum aan een voordelige prijs liet maken, want zijn beschermeling zou weldra voor Zijne Majesteit moeten optreden. Ik denk te weten dat hij, samen met zijn grootvader, aan het Hof ontvangen werd en ik zou niet durven beweren dat het niet door Koningin Elisabeth was. Noch de jonge Grumiaux, noch zijn grootvader, brachten een geestdriftig verslag uit over deze ontmoeting. Een eredame stelde de grootvader, die zo snel in zijn eigenliefde gekrenkt was, een tamelijk ongelukkige vraag die als volgt ging : “Wat wenst u te ontvangen ?” Het antwoord zou geweest zijn : “Wij zijn geen bedelaars”.



Alfred Dubois
Grumiaux’ resultaten aan het Conservatorium van Charleroi veroorzaakten enige twijfels. Moest hij zijn piano- of zijn vioolstudies verderzetten ? Arthur vertelde dat, opnieuw zijn grootvader, als een oude scheepskapitein die het roer neemt bij felle storm, het probleem aansneed : “Er zijn veel meer pianisten dan violisten”, en zoals steeds, bepaalde hij het antwoord. Niemand die hem verweet de jongeman naar de meester Alfred Dubois geleid te hebben. Deze laatste, die één van de juryleden was toen de kleine Grumiaux zijn medaille voor viool in ontvangst mocht nemen, besloot hem in zijn klas op te nemen, alhoewel hij slechts elf jaar oud was.

Alfred Dubois werd geboren in Sint-Jans-Molenbeek op 19 november 1898; zijn ouders zijn afkomstig van Verviers. Dubois was een opmerkelijk musicus en een violist van hoog niveau, maar daarenboven was hij een zeer elegante jongeheer met het hart op de juiste plaats. Grumiaux droeg hem een warm hart toe en Dubois behandelde hem als zijn kleine broer. Zij waren door een zeer grote vriendschap, zelfs door een zekere vertrouwelijkheid, nauw met elkaar verbonden. Volgens sommigen is het niet uitgesloten dat het Dubois was die de jonge Grumiaux in de verfijnde keuken en in de daarbij geserveerde wijnen, inwijdde…

Hij wijdde zich aan de vorming van zijn leerling en ging daarin zover dat hij hem leerde hoe een brief op te stellen. Maar nog belangrijker, hij hielp hem een keuze te maken aan welke wedstrijden hij mocht deelnemen en aan welke niet; hij liet hem nadenken over de concerten die hij moest aanvaarden en aan de reden die hij moest opgeven bij een eventuele weigering. Zoals we zullen kunnen zien, besliste hij zelf aan welke concerten Grumiaux kon deelnemen. Gedurende acht jaar was Arthur zijn assistent en, bij zijn vroegtijdige en onverwachte dood in 1949 op 51-jarige leeftijd (waar Grumiaux verschrikkelijk onder leed), nam hij zijn klas over.



Koninklijk Muziekconservatorium van Brussel (1932-1941)
Aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel :
1934 Eerste prijs notenleer
eerste prijs muziekgeschiedenis
1935 Eerste prijs viool
1936 Eerste prijs harmonie, hoger diploma kamermuziek
1938 Eerste prijs contrapunt
1941 Eerste prijs fuga en Gevaert-prijs, in de klas van Jean Absil.

Niet in het Conservatorium :
1939 Henri Vieuxtemps-prijs in Verviers, François Prume-prijs in Stavelot


Een buitengewoon leerling, maar alles behalve een modelleerling
Zo Grumiaux dan al wel een buitengewoon leerling was, wat aanleiding gaf tot jaloerse buien van de oudere leerlingen, was hij alles behalve een brave modelleerling. Niet dat hij zich liet verleiden tot kwajongensstreken, wat trouwens niet met zijn karakter strookte, maar men had de indruk dat hij zich veroorloofde een keuze te maken tussen zijn verschillende cursussen. Hierdoor kwam het tot enkele onenigheden met zijn overheid. Brieven maken hier gewag van, maar Arthur beantwoordt deze koel, doch hoffelijk en met een bepaalde zelfzekere arrogantie, wat vanzelfsprekend leidde tot enkele veroordelingen, waar hij echter onverschillig tegenover stond. Het is een belangrijke karaktertrek, die hij trouwens heel zijn leven zal behouden. Grumiaux is dus eerder verlegen, maar verdraagt niet dat men hem op de tenen trapt of dat men hem op lichtzinnige wijze behandelt.
Men heeft de indruk dat hij helemaal niet gesteld was op de orkestklas en er ook niets aan deed om de redenen, die hem zouden kunnen verontschuldigen voor zijn gebrek aan regelmaat, te elimineren.

Brussel, 3 mei 1935
Geachte heer,
De heer Defauw meldt mij uw afwezigheid tijdens de orkestklas. Ik houd eraan u eraan te herinneren dat elke afwezigheid moet gewettigd zijn door een voorafgaandelijke toestemming van mijnentwege of door een certificaat dat u in de onmogelijkheid stelt de les bij te wonen. Ik zal mij verplicht zien om in de toekomst bijzonder streng op te treden tegen leerlingen die de lessen verzuimen zonder enige geldige toestemming. Ik ga ervan uit dat deze verwittiging in het bijzonder zal begrepen worden voor wat de gelijklopende lessen en meer bepaald de orkestklas betreft. Aanvaard, Geachte heer, de blijken van mijn oprechte hoogachting.
Het antwoordt klinkt beleefd, duidelijk en het is moeilijk niet een zekere onbeschaamdheid gewaar te worden, zich verschuilend achter komende belangrijke prestaties, waarvan één in het conservatorium zelf.

Fleuris, 1 december 1935
Geachte heer Directeur,
Ik heb kennis genomen van uw schrijven van 29 november betreffende mijn afwezigheid op donderdag 28 jl tijdens de orkestklas van 14 uur.
Mijn professor, de heer Alfred Dubois, laat mij iedere donderdag op exact hetzelfde uur bij hem komen om het programma in te studeren dat ik moet uitvoeren op dinsdag 3 december om 20u45 in het “Maison d’Art”, Louizalaan, 185, evenals het werk dat ik met orkestbegeleiding moet vertolken op de prijsuitreiking op 12 december in het Conservatorium van Brussel. Aanvaard, Geachte heer Directeur, de blijken van mijn oprechte hoogachting.
(s.) Arthur Grumiaux
Violist.


De beheerder-secretaris, Jean Van Straelen, had Alfred Dubois reeds de opmerking gemaakt : « Zeg eens, uw kleine Grumiaux, heeft niet zo’n goed karakter ». Dubois diende hem onmiddellijk van antwoord : “U wilt ongetwijfeld zeggen dat hij karakter heeft ?” Grumiaux heeft zijn eerste prijs viool in de wacht gesleept na twee jaar, in 1935 en toen hij naar Fleurus terugkeerde, werd hij uitbundig ontvangen. De plaatselijke kranten publiceerden nogal hoogdravende artikels van twee tot vier kolommen en met foto.
Graham T. Smalwood, een Engels journalist van de Washington Post in Brussel, heeft Grumiaux een interview afgenomen en schreef over hem :
“Hij is zeer vriendelijk, maar wordt rood en windt zich op wanneer hij met iemand praat die hij niet kent, terwijl hij op het podium zo rustig is als een komkommer”.
De vergelijking kan Grumiaux misschien geërgerd hebben, maar wat zij wil zeggen klopt helemaal en het zal maar zelden gebeuren dat Grumiaux door angst overvallen wordt op het podium.

Velen van Grumiaux’ bewonderaars hebben zich afgevraagd waarom hij niet deelgenomen heeft aan de Ysaye-wedstrijd en aan de Koningin Elisabeth-wedstrijd. Dit kan inderdaad vreemd lijken, maar de verklaring hiervoor is gemakkelijk te vinden in de veeleisendheid van Alfred Dubois, in Grumiaux’ trouw aan zijn leraar, misschien ook in een gebrek aan soepelheid van het reglement van de Muziekkapel.



In Parijs, bij Georges Enesco.
Grumiaux heeft steeds een grote bewondering gekoesterd voor Enesco. Nochtans was hij de mening toegedaan dat hij zijn kennis, noch zijn spel verrijkt had toen hij bij hem in de leer was. Enesco gaf inderdaad enkel en alleen les over de werken uit het klassieke repertoire die Grumiaux reeds gestudeerd had aan het Conservatorium. Later zou hij zich toch nog bedenken. Laten we de jonge artiest zelf aan het woord :
“Twee of drie jaar later, werd ik er mij van bewust dat ik duidelijk evolueerde in de richting die Enesco aangeraden had en ik kwam ertoe de frasen die ik hem hoorde zeggen, mij eigen te maken. Ik vraag me in feite af of dit een “vertraagd” effect was van zijn lessen, of heel eenvoudig, de normale evolutie van “het ouder worden”. U weet wel, men wordt veeleisender wat de zuiverheid van stijl betreft, men zoekt een diepere vertolking, men hecht zich meer aan de muziek dan aan het instrument”.

Deze « vertrouwelijkheden » in een interview, gepubliceerd in “Le Journal des Beaux-Arts” in november 1959, zijn werkelijk zeer waardevol. Vooreerst omdat dergelijke vertrouwelijkheden heel zeldzaam zijn bij hem, vervolgens omdat ze bepaalde uitspraken van zijn tegenstanders tegenspreken, die hem beschouwen als een geboren genie, die, zonder enige verstandelijke overpeinzing, met zijn aangeboren talent loopt te pronken. Nochtans onthult Grumiaux ons hoe hij aan het begin van zijn indrukwekkende carrière nadacht over zijn manier van vertolken, hoe hij kon evolueren en zich verrijken en toch zijn eigen ik behouden.

Dergelijke stellingname wat het vioolspel en de vertolking betreft laat uitschijnen wat steeds Grumiaux’ denkbeeld zal zijn, wat steeds zijn studies zal overheersen en wat de ergste vijand van valse bescheidenheid is. Het steeds verder opdrijven van de virtuositeit wat het essentiële van de ware muziek in gevaar dreigt te brengen, verleidt hem niet. Men bewondert ook een dergelijk rijp oordeel bij een jong violist, klaar om vanuit de schoolbanken “op te stijgen” en een niveau te bereiken dat niet meer in te schatten is.



De eerste echte concerten.
« Van bij de eerste vioolstreken weet men het : dit is een grote persoonlijkheid. De pracht van zijn aanheffen, de soepele en volle sonoriteiten, de helderheid en de gedegenheid van zijn techniek, de vastberadenheid in de moeilijke passages, het meesterschap waarmee dit kind de geest en de letter beheerst, dit alles is geen schijn.
Arthur Grumiaux, leerling van de grote artiest Alfred Dubois, zal een violist van de bovenste klasse worden”.

Grumiaux is zich bewust van wat hij in zich heeft en van wat hij moet en mag naar buiten brengen. Dit verschaft hem, tegenover de muzikale evenementen die zijn leven doorkruisen, een grote rust, een volmaakte sereniteit. Wanneer het erom gaat zich in zijn spel uit te drukken, voelt hij geen enkele vrees, hij voelt zich bij machte om weer te geven wat de partituur, die hij volgt, hem ingeeft en hij gaat volledig op in de boodschap die hij de zaal wenst mee te geven. Zelfs wanneer hij geconcentreerd bezig is, de ogen soms gesloten, vergeet hij zijn luisteraars niet, staat hij niet ver van hen verwijderd. In tegenstelling, hij verlangt ernaar dat zij met hem, zo actief mogelijk, deelnemen aan wat de componist heeft willen zeggen en hij voelt de echte, diepe en niet geuite reacties in de zaal aan, zoals hij ook de onbekwaamheid van het publiek om te luisteren aanvoelt. Hij zal niet aarzelen zijn ergernis weer te geven voor een zaal die volgens hem in zijn geheel niet bij machte is “binnen te dringen” in de muziek.

Al bij al is de Grumiaux van het podium verschillend van de Grumiaux van het salon. Hier geeft hij de indruk zich minder op zijn gemak te voelen en zijn interventies zijn dan ook eerder schaars. Men moet er eerder om bedelen. Daarom is het ook zo moeilijk een interview van hem af te nemen, waar blijkt dat hij een man van weinig woorden is, op het allernoodzakelijkste een antwoord geeft en duidelijk maakt dat hij het daar ook wil bij laten. Zoals we reeds zeiden, verkoos Grumiaux zijn uitdrukkingskrachten op te sparen voor zijn vertolkingen. Hij heeft een zekere afkeer van het geklets over de muziek. Zij is voor hem een zeer ernstige zaak opdat men er teveel over praat.

Laten wij dit, niet helemaal overbodige hoofdstuk, afsluiten om opnieuw aan te sluiten bij de Grumiaux van het podium en zijn wens tot communiceren met de luisteraars.
Grumiaux voelt zich één met de zaal en heeft nood aan een ontvankelijk en warm “kader”. Hij toont zich ook ongenadig voor de luisteraars van een concert dat hij in Brussel gaf in 1973 voor een goed doel :
“Twee dagen geleden heb ik in Brussel voor een goed doel gespeeld, voor een publiek waar ik niet van hield, heel snob, kil en niet sympathiek was. Mensen die veel geld hebben en er niets van verstaan; zo zat de zaal er vol van ! Geen enkele sfeer. Slechts enkele personen waren aanwezig om van de muziek te genieten.. en niet om zich te vertonen in hun nieuwe jurk of met nieuwe juwelen ! Dit schenkt me geen enkele vreugde om voor een dergelijk publiek op te treden…”
Op 8 maart 1936 (hij zou 15 jaar worden), trad Grumiaux voor het eerst op met orkest buiten het Conservatorium. Dit was dus een evenement. In Charleroi speelde hij het Dubbelconcerto van Bach met Alfred Dubois, zoals deze beloofd had, onder leiding van François Rasse. Het zal al snel een gewoonte worden en zes weken later speelt hij Mendelssohns Concerto onder leiding van André Sarly in Tienen. Het jaar daarop, nog in Charleroi en onder leiding van Fernand Quinet, vertolkt hij voor het eerst het Concerto van Tsjaïkovski.

Aan het Conservatorium van Charleroi, start hij op 27 november 1938, samen met een zeer trouw medewerker, Léon Degraux, een reeks recitals die zeer gewaardeerd werden. Het zou te langdradig worden om deze allemaal te vermelden en om er de unanieme lofbetuigingen die ze mochten ontvangen weer te geven, die inderdaad niets nieuws aan het licht brachten dan wat we al wisten over Grumiaux, over zijn spel en over zijn jonge persoonlijkheid.



Een nieuw elan onderbroken door de oorlog.
1939, het jaar waarin Grumiaux 18 werd, zou men kunnen bestempelen als de echte start van zijn grote carrière. Na in Verviers, met eenparigheid van stemmen, de eerste prijs Vieuxtemps behaald te hebben, werd hij op 28 april uitgenodigd door Marcel Cuvelier, directeur van de Filharmonische Vereniging om, onder leiding van de befaamde dirigent Charles Münch, het Concerto van Mendelssohn te spelen in het Paleis voor Schone Kunsten. Iedereen kent Marcel Cuvelier, die tijdens de oorlog Jeugd en Muziek oprichtte en die gedurende jaren met veel brio het Paleis voor Schone Kunsten geleid heeft. Grumiaux bewonderde hem uitermate.

In juni vertolkte hij met het orkest van de I.N.R. het vijfde concerto van Vieuxtemps, onder leiding van Léon Jongen. Minder dan veertien dagen later volgde een ander concert in Spa waar hij Mendelssohn speelde onder leiding van René Defossez. In augustus ontving hij de François Prume-prijs, zoals we reeds meedeelden, voor het eerst in Stavelot uitgereikt. In november nam hij, op uitdrukkelijke wens van Alfred Dubois, deel aan de opmerkelijke en buitengewone uitvoering van het kwintet van César Franck aan het Conservatorium van Brussel. Zijn partners waren Alfred Dubois zelf, Emile Bosquet, Maurice Dambois en Frans Broos. Maar dan begint de oorlog en België beseft dat het er moeilijk zal kunnen aan ontsnappen. De bezetting wordt ingezet op 10 mei 1940, zonder voorafgaandelijke mededeling.



De Duitse bezetting : eerste avonturen.
Amanda beschrijft ons de tragisch-komische situatie van Grumiaux in mei 1940. Jongemannen die de leeftijd bereikt hadden om het land te dienen werden afgevoerd naar het Zuiden van Frankrijk door het recruteringscentrum van het Belgisch leger. Om te vermijden in Duitsland te moeten gaan werken, had Arthur zich ingeschreven als “landbouwer”… Hij werd dus overgebracht naar een boerderij, waarschijnlijk in de streek van de Gers. De boerin die hem had aangenomen, zag hem, de eerste ochtend na zijn aankomst, van de hooizolder waar hij sliep, rond 9 uur naar beneden komen… en zich bezorgd maken om zijn ontbijt. Hij was de enige die op de boerderij was gebleven, de andere jongens waren om 5 uur in de ochtend naar de velden vertrokken. Zonder zich al teveel van zijn stuk te laten brengen, werd hij door de boerin op een tractor gezet, meer waarschijnlijk, vertrouwde ze hem het besturen van een kar toe, getrokken door indrukwekkende ossen.
Wanneer men hieraan denkt, is het moeilijk om niet in hilariteit te ontsteken. Misschien was dit ook zo voor de boerin die, toen ze zich rekenschap gaf van de overduidelijke onbekwaamheid van haar rekruut en zeer snel door had dat hij totaal onkundig was wat de landbouwtechnieken betrof, slim genoeg was om niet aan te dringen… En Grumiaux… die ging vioolcurussen geven in het dorp, terwijl hij op de hooizolder bleef slapen.

Dit zou echter niet lang blijven duren. Op zekere dag kwam een Belgisch officier navraag doen over de aanwezigheid van Grumiaux op de boerderij. Het was een majoor die gestuurd was door de kolonel van het regiment om hem uit te nodigen een concert te geven bij het garnizoen. Dit was een bijzonder gelukkig toeval, want waarschijnlijk mede dankzij het concert en het gezonde verstand van de officieren, werd Grumiaux op de trein gezet richting Fleurus waar hij aankwam op 15 augustus 1940.



Het Artis-kwartet
Het Pro Arte-kwartet, opgericht in 1913 en oorspronkelijk samengesteld uit de violisten Alphonse Onou en Laurent Halleux, uit de altviolist Germain Prévost en uit de cellist Fernand Quinet, verwierf zeer snel grote bekendheid. In 1918 ging de carrière van Fernand Quinet, die de Grote Prijs van Rome behaald had, een andere richting uit en werd hij vervangen door Robert Maas waarop het kwartet ongewijzigd bleef tot in 1939. Behalve Robert Maas, die op dat ogenblik ziek was, waren al de andere leden sinds begin 1940 naar de Verenigde Staten afgereisd. Maar Robert Maas had bijzonder veel zin om het kwartet nieuw leven in te blazen en zocht Alfred Dubois op. Deze beveelde hem met veel vuur zijn leerling aan en het Artis-kwartet werd opgericht met Dubois, Grumiaux, Robert Courte en Robert Maas. In deze bezetting werd het kwartet eveneens zeer vlug bekend, alhoewel het vooral tijdens privéconcerten optrad.
Benevens de concerten van het Artis-kwartet, blijkt het dat Grumiaux niet meer dan vijf of zes publieke recitals heeft gegeven, maar hij trad veelvuldig in privé op. Ook in de salons van de “betere maatschappij” was hij een zeer gevraagd gezelschap, ongetwijfeld ook bij de dames.

Op 8 maart 1941 gaf hij, onder leiding van Léon Jongen, een zeer opmerkelijke vertolking van het concerto van Jean Absil en van Ravels Tzigane aan het Brusselse Conservatorium. Mevr. Marie-Thérèse Ullens de Schooten herinnert zich hier zeer precies Grumiaux’ gedeeltelijke klandestiene aanwezigheid, die zoals de meeste Belgen in deze donkere dagen, zeer zelden at tot hij verzadigd was behalve wanneer hij nu en dan naar Fleurus terug ging.



Enkele losse concerten
In januari 1942 speelde hij het concerto van Brahms in Charleroi; in december vertolkte hij Mozart en Saint-Saëns in Binche. Begin 1943 ontving hij een brief van Marcel Cuvelier die eiste dat hij zijn programma wijzigde om tegemoet te komen aan een eenheid van een bevel van de Propagande Abteilung. Op zijn programma stond de Nocturne van Szymanowski, verboden als Pools werk… Grumiaux had geen haast te antwoorden dat hij in de plaats de sonate van Joseph Jongen zou spelen.
Hij geeft een concert in Gent als eerste viool, onder leiding van Toussaint De Sutter, tijdens de creatie van de Concertante Symfonie van Victor Veules. In mei van datzelfde jaar speelt hij het concerto van Beethoven met André Souris bij de Filharmonische Vereniging.

In juli, wordt hij eerste met 133 punten op 140 tijdens de Nationale Wedstrijd van Antwerpen, met het concerto van Brahms dat hij opnieuw zal spelen tijdens het laureatenconcert met Louis Weemaels. In april 1944 vertolkte hij in het Conservatorium het concerto KV 216 in G van Mozart, dat trouwens tot het einde zijner dagen als concertsolist, zijn geliefdkoosd concerto zou blijven.
Een ietwat langdradige lijst. En nochtans zal de lezer het opgemerkt hebben, onopvallend en zonder één woord te zeggen. Grumiaux beschouwt zich nu niet meer als een leerling en men beschouwt hem ook niet meer als dusdanig. Hij heeft plots, zonder tussenfase, een nieuw niveau bereikt, dit van het meesterschap. Het is daar dat wij hem terugvinden na de bevrijding van België.



Een verstandig onderduiken
Naar het einde van de bezetting toe, lieten de Duitsers aan Grumiaux vragen of deze Konzertmeister wilde worden in Dresden of een andere gelijkaardige stad. Hij werd hiervoor naar Namen uitgenodigd waar hij op officiële wijze dit voorstel ontving. Grumiaux antwoordde op slimme wijze dat hij zijn professor diende te raadplegen. Maar eens terug in Brussel, verdween hij in de anonimiteit. Zo lezen we in Le Soir van 3 november 1943 : “Het programma van het 2de optreden van het Artis-kwartet diende gewijzigd te worden omwille van een onpasselijkheid (sic) van één van de leden, dhr Grumiaux”.
In haar brief schreef Marie-Thérèse Ullens :
“Wij wonen aan de rand van het bos in een huis dat omringd is door braakliggend terrein; het bevindt zich tussen twee appartementsblokken die door de Gestapo bezet worden. Ik dacht er steeds aan hem (Grumiaux) per telefoon te verwittigen over het doen en laten van onze buren want zij hadden weet van de jonge virtuoos en wij waren maar voor één ding bang, Koningin Elisabeth en ikzelf, dat hij zou opgepakt worden en verplicht worden om concertreizen te ondernemen in Duitsland wat zijn toekomstige carrière definitief zou geschaad hebben, daar waren we rotsvast van overtuigd”.

Dergelijke ietwat onrustige levensomstandigheden en niet zonder gevaar hadden Grumiaux’ talent ernstig kunnen schaden of tenminste afremmen. Dit was echter niet zo, zoals we zullen opmerken. Dit was enkel te danken aan zijn innige verbondenheid met de muziek en met de viool, waardoor hij de meest stresserende gebeurtenissen met de grootste zelfbeheersing achter zich liet. In tegendeel, zonder de romantische toer op te willen gaan, zouden we kunnen zeggen dat deze enkele moeilijke momenten er hebben toe bijgedragen zijn kunst nog meer rijpheid te geven.



Van de schoolbanken naar een zeer eigen spel. Geen tussenfase, een sprong.
Waarschijnlijk brengt hij met deze « sprong » eerbetoon aan zijn professor die zijn leerling niet onder druk zette of verstikte, maar hem op karaktervolle wijze de weg toonde. Hier dus geen trapsgewijze vooruitgang, zoals voor de meeste musici, maar een directe overgang van de schoolbanken naar de vertolking.
Bij Grumiaux viel er geen jaarlijkse vooruitgang te bespeuren; er was enkel de beginstreep en de sprong, zonder tussenetape, tot de plotse aankomst op een onmiddellijk zeer hoog niveau, het topniveau. Was het mogelijk te weten te komen wat Grumiaux hierover dacht ? Hij lijkt zich niet bewust te zijn van de duizelingwekkende sprong die hij gemaakt heeft en wij zullen vaststellen dat hij bijzonder goed zijn draai kan vinden tussen de grootste vertolkers en dirigenten. Zonder enige hoogmoed, lijkt hij dit vanzelfsprekend te vinden; hij voelt zich als thuis, hij voelt zelfs dat hij iets te zeggen en te tonen heeft in dit hoger milieu. Beter gezegd, iets weer te geven, dat als een muzikale boodschap door de niet-ingewijden zal aangevoeld worden.